— David Groot

10 arrangementen  

 

De wereld speelt met niet-beladen betekenissen en ontdekt een doel en verdubbeling is er nadrukkelijk opgeslagen. De kunstenaar wil niets ongerijmds vinden en noemt zich genoodzaakt een niemandsland en wil ook altijd iets anders maken dan aantekeningen en opmerkingen bij, voor of over dat wat de blinde beschouwer gemeen al kent. en het tussen haakjes of in een lijst plaatsen van tegelvloeren in potlood zijn strategieën die regelmatig worden ontregeld, aan hem ontsnappen nu nauwkeurig geschilderde duplicaten van rietmatten. het probleem van het nut van die replica’s als arrangementen kent per definitie een eerder ontstaan. Hans Arp twijfelde aan de geïsoleerde tijden en identificeert zich te bewust ten opzichte van het produceren van systemen en maakt het bereiken van aarzeling tot inzet van unieke ‘buitelingen’.  De voortdurende strenge visuele twijfel aan verfijnde Begrippen als vervlochten authenticiteit worden door de olieverf aan getoond en zelfbewust toegepast in uiterst symbolische schilderijen met eigen verfbewegingen. de geglaceerde verschijning van de schilder, een vrij subtiel persoon, is te danken aan allergie voor de geest van De tijd waarin plaats ligt omdat gevoelsregister en unieke identiteit de zelfde blanco  betekenisveranderingen hadden. hij vindt alleen Zichzelf een nieuwe zaak en moet toe laten dat onder afbeeldingen die hij signeerde zich nu weer bestaande combinaties vormen en zijn belangrijkste originaliteit is maar in één andere context tegen hem gebruikt. ‘Het kan niet zo zijn Dat de anderen achter in mijn hoofd maar artefacten gaan maken voor musea die geen rol ontwikkelen’. Veelal ziet hij als een intermediair verhalen aan als codes of stijl met een touch, of werk dat ‘zit of zijn zin niet plaatst’. De kunstenaar heeft duidelijk zijn toetsingen tot waarheid en geciteerde en ontleende afbeeldingen als een bestaande beeldwereld gekend. Op zoek naar zichzelf, of door anderen, bereikte hij dan het schilderij maar steeds weer wees hij, te artistiek of te persoonlijk, op nieuwe beelden van patronen, gebruik makend van wat of een toeschouwer Poëtisch kan overdragen. deze patronen, meent hij analytisch, verbazen niet zozeer als metafoor voor Herhaling en worden tevens verzamelingen van eigendunk die hij toeschreef aan een mentaliteit van de 3e wereld van onze tijd. Tegelijkertijd vindt hij het maken dat De schilder nadoet fascinerend en knaagt de observerende maker aan de leugen in het eigen werk om een wereld parallel aan die van ‘het vaste kapitaal’ vorm te geven. Meer of minder failliet kwam degene dingen te zeggen en moet daarbij in een sculptuur van hoofden een probleem los maken en de schrijver die zich nazingt verwees naar een foto. Als exponent in schreeuwerige en tegelijk te verlegen confrontatie zag de kunstenaar, iemand met gebruik van zowel lenige beelden als autonome beeldmiddelen, door hemzelf het kijken ontstaan. Hij, de schilder (1949) die nog wat nieuwe beelden kan, wil of moet toevoegen aan dat wat de natuur aandient, maar die elders de vormentaal van boeken natekent en volledig zijn geldigheid ziet.

 

De betekenissen van al te symbolische afbeeldingen maken twijfel aan de geldigheid van bestaande systemen en toetsingen duidelijk en door analytisch kijken zag de schilder zichzelf in zijn eigen werk uiterst nauwkeurig patronen van niet-beladen vormen maken. Tegelijkertijd bereikte hij een gevoelsregister dat op allergie voor opgeslagen, te schreeuwerige verfbewegingen in musea wees. hij noemt zich een toeschouwer, en is als een te bewust persoon die twijfelde aan wat of hij nu weer voor artistiek ‘ongerijmds’ natekent als autonome en geglaceerde vormentaal en wil niets anders dan blanco aantekeningen overdragen en in een niemandsland van bestaande artefacten plaatsen, of inzet maken van verfijnde opmerkingen bij dat belangrijkste doel. en Op zoek naar authenticiteit gaan unieke afbeeldingen arrangementen aan met de duplicaten en de verschijning van een geciteerde aarzeling plaatst zijn blinde leugen ten opzichte van het produceren van nieuwe rietmatten. De kunstenaar ziet zich genoodzaakt tot het maken van Begrippen en gebruikt deze als metafoor voor voortdurende, vervlochten Herhaling. De schilder moet Zichzelf volledig verbazen en heeft tijden gekend waarin identiteit, door een beschouwer ontregeld, knaagt aan de tegelvloeren en identificeert die door hemzelf in olieverf geschilderde strategieën tevens met De wereld die zich er vrij van moet ontwikkelen. zijn unieke stijl in zijn eigen werk ontleende hij aan replica’s of naar buitelingen van Hans Arp, maar die tijd ligt nu achter hem. anderen beelden zich verdubbeling in een andere context en weer anderen bereiken persoonlijk en subtiel originaliteit. te verlegen de waarheid te zeggen, ontdekt De schilder wat hij alleen kan en signeerde nadrukkelijk niet. Veelal gebruik makend van de patronen die regelmatig worden toegepast meent de kunstenaar, dat is tussen haakjes iemand die iets nadoet, tegelijk een ‘fascinerend schrijver’ te zijn. zowel zijn sculptuur als zijn schilderijen worden gemeen niet als geïsoleerde confrontatie getoond, maar als combinaties in Poëtisch potlood en hij verwees daarbij naar lenige betekenisveranderingen. ‘mijn hoofd kent Meer dan maar één vaste zin.’ de intermediair die tot beelden kwam, en zelfbewust anderen nazingt met gebruik van codes voor beeldmiddelen van de wereld van beelden is als degene die wil ontsnappen aan los kapitaal onder de visuele wereld om failliet te vinden wat onze verzamelingen van dingen aan het nut danken van een strenge beeldwereld  Hij wil ‘Het’ toevoegen aan wat De maker of exponent elders hadden laten ontstaan. hij ziet eigendunk Als een mentaliteit tegen hem en de hoofden in de boeken worden ook verhalen over een kunstenaar,  parallel aan een rol van de zelfde observerende geest. het kent met een foto of het schilderij steeds het probleem of de zaak nog een nieuwe definitie aandient van de nieuwe ‘3e tijd’. die lijst vindt altijd een eerder ontstaan, dat toegepast, niet zozeer toeschreef, maar het toe maakt en plaats vindt. of zit het zo dat het kan, omdat het probleem speelt Dat hij per vorm minder of geen ‘touch’ aan de natuur kan en of moet geven. (1949)

 

Als musea uiterst vaste codes overdragen, knaagt de wil om iets ongerijmds en originaliteit van geest. dat de schilder zich niet tot authenticiteit genoodzaakt ziet is zijn doel als kunstenaar die volledig failliet visuele strategieën bereikte. als zelfbewust intermediair speelt hij Tegelijkertijd een observerende toeschouwer, maar moet zich los maken van te autonome, te geïsoleerde en te nauwkeurig door hem geschilderde schilderijen in een lijst parallel aan die andere wereld van de niet-beladen natuur die hij nazingt. De schilder verwees naar een geciteerde beeldwereld van vervlochten rietmatten of een foto van symbolische haakjes. Hij ziet, met een zelfde aarzeling, verzamelingen als confrontatie ontstaan in een te strenge, maar ook te schreeuwerige vormentaal van de nieuwe sculptuur. De verschijning van unieke bestaande combinaties en aan anderen ontleende replica’s die hij elders aan Hans Arp toeschreef ontwikkelen een metafoor voor systemen waarin Begrippen als beeldmiddelen of identiteit worden toegepast. en in zijn belangrijkste tegelvloeren maken patronen buitelingen en deze worden nu aan hemzelf getoond met inzet van betekenisveranderingen. iemand die, onder Meer, een eigen Herhaling van zichzelf gekend heeft, twijfelde regelmatig aan blinde toetsingen van betekenissen in zijn patronen van artefacten en zag geglaceerde olieverf opgeslagen in een vrij niemandsland van verhalen die hij nadoet in de 3e persoon. Op zoek naar artistiek kapitaal dat kan ontsnappen aan zijn eigen definitie of geldigheid en gebruik makend van het bestaande analytisch produceren van verfijnde nieuwe beelden, ontdekt hij ‘het Poëtisch kijken’ en wil, als de afbeeldingen in potlood, met zijn twijfel tevens vorm geven aan één waarheid of mentaliteit. De schrijver meent dat degene die allergie voor verfbewegingen kent de wereld minder nadrukkelijk moet bereiken door van een blanco context gebruik te maken. De kunstenaar identificeert zich bewust niet met een ‘touch’ of een te lenige stijl of dat wat de opmerkingen tussen De arrangementen gemeen hadden en Veelal is hij het die persoonlijk De boeken ‘op de rol’ kan plaatsen. hij signeerde het werk eerder verlegen omdat hij zich steeds weer, duidelijk ontregeld, aandient als een exponent van Zichzelf. en al gaan wat anderen per dan aan het werk, het hoofd kent niets van tijd of tijden anders dan tot 1949. de beschouwer vindt het nut van Het schilderij fascinerend en noemt het vinden maken en het laten worden of maakt er plaats voor en wees. ‘onze beelden zijn in die zin een leugen en mijn afbeeldingen danken er zowel vormen als verdubbeling aan’. Dat de schilder zit en maar weer wat natekent of nog moet toevoegen is altijd zo door eigendunk en gebruikt gevoelsregister ontstaan maar dat probleem ligt nu achter hem. hoofden zeggen dingen tegen de wereld, wat de kunstenaar alleen kan of wil beelden bij de voortdurende aantekeningen en plaatst daarbij tegelijk het probleem ten opzichte van de zaak en vindt geen tijd voor nieuwe, unieke duplicaten en kwam niet zozeer aan een subtiel verbazen over de maker toe ( ).

 

Als de wereld replica’s wil bereiken en tevens twijfel moet toevoegen aan de arrangementen van bestaande systemen, kan daarbij het probleem van originaliteit of van het te nadrukkelijk schreeuwerige ontstaan. het maken knaagt en de nieuwe beelden zijn er te fascinerend om niet een symbolische wereld parallel aan die van natuur en dingen vorm te geven  De schilder wil, vrij gebruik makend van visuele sculptuur in onze musea, ontsnappen aan de vaste codes voor patronen van tegelvloeren. Hij kent dan een zelfde aarzeling ten opzichte van het produceren van Herhaling, al wil die verdubbeling van strategieën regelmatig anders worden toegepast. en Veelal altijd zag de beschouwer niets dan boeken over afbeeldingen omdat hij meent dat degene die de verfijnde vormentaal van Hans Arp beelden kent, nu ook andere plaatsen of hoofden ontdekt en die natekent. en als Exponent van zijn tijd met geciteerde, aan anderen ontleende afbeeldingen maakt hij uiterst lenige buitelingen en gebruikt deze als metafoor voor rietmatten en de inzet van de verlegen intermediair vindt plaats. De kunstenaar ziet zichzelf aan in dat niemandsland waarin hij twijfelde aan Zichzelf en niet signeerde. eerder bereikte hij De anderen door alleen maar artefacten te overdragen en steeds weer toe te kijken. Meer of minder Op zoek, kwam hij tot voortdurende betekenissen die niet zozeer een stijl ontwikkelen maar verbazen. zo speelt, in 1949, de geest van de tijd voor hem geen rol (de schilder heeft tijden gekend van wat te strenge eigendunk) maar die wereld, te danken aan de ‘3e persoon’, is opgeslagen en ligt achter hem. De maker, analytisch tegelijk, noemt zich een artistiek toeschouwer, of een observerende authenticiteit tegen de bestaande identiteit en het schilderij van blanco vormen kan worden ontregeld door De verschijning van unieke duplicaten. De kunstenaar die iets met een niet-beladen gebruik nadoet, verwees naar vervlochten verhalen in zijn ‘eigen’ werk en ziet zich genoodzaakt tot het zeggen van betekenisveranderingen in één zin. patronen worden als een allergie of als het nieuwe beelden getoond aan de blinde schrijver die aantekeningen identificeert en Het of aan de zaak of aan een volledig failliet gevoelsregister toeschreef. Dat hij nauwkeurig in potlood door hemzelf geschilderde verfbewegingen met een unieke touch en of geldigheid nazingt, is zijn belangrijkste doel en hij is zich bewust dat wat zich nu weer voor ongerijmds Poëtisch aandient, een mentaliteit vindt. Tegelijkertijd wees de schilder zelfbewust naar geïsoleerde beeldmiddelen onder toetsingen van een autonome beeldwereld en per definitie  plaatst een foto het probleem in context. zowel verzamelingen van een subtiel kunstenaar als ‘iemand die in mijn hoofd zit’ gaan een confrontatie aan en maken nog wat opmerkingen bij begrippen tussen haakjes en hij moet het laten ontstaan dat nieuwe schilderijen combinaties gemeen hadden of het nut duidelijk maken van zijn eigen werk. maar als waarheid of leugen persoonlijk zijn moet dat werk elders ‘kapitaal’ los maken met wat geglaceerde olieverf.

 

Veelal wil de schrijver van De nieuwe vormentaal wat minder unieke beelden of dingen aan zijn werk toevoegen. De kunstenaar in een lijst, gebruik makend van lenige strategieën, is maar een definitie en wat ‘knaagt’ de touch of Het  probleem subtiel daarbij.  De toeschouwer of beschouwer van die geglaceerde artefacten noemt zich parallel aan de natuur het kapitaal van de wereld bij dat wat De maker al tijden kent of kan vinden. Herhaling van vaste verdubbeling en van beelden in context zijn gemeen dan ook patronen die regelmatig overdragen worden en tevens een mentaliteit maken. de schilder (1949) kwam elders aan twijfel aan hemzelf en de geldigheid van te geven. Tegelijkertijd ligt er per vorm het probleem of voor een kunstenaar nog zijn eigen leugen genoodzaakt moet worden toegepast en plaatst hij in zijn eigen werk een wereld van eerder door hem nauwkeurig geciteerde opmerkingen. De schilder, die het bereikte alleen maar kan bereiken door strenge verfbewegingen met steeds Meer buitelingen, maakt altijd nadrukkelijk geschilderde waarheid die de observerende exponent en autonome hoofden naar een andere tijd, plaats en wereld verwees. degene die zich, op zoek naar iets uiterst ongerijmds, aandient tot het zeggen van voortdurende codes, de visuele zaak achter hem, wees Op een te zelfbewust gevoelsregister dat ten opzichte van een persoonlijk failliet niets toeschreef. De kunstenaar vindt tegelijk met nieuwe verhalen de 3e zin ‘die los onder in mijn hoofd zit’ maar kan of wil of moet tegen combinaties en of beeldwereld aan kijken als die beelden ontstaan en twijfelde niet aan het nut van het ontwikkelen van schilderijen waarin aarzeling is opgeslagen. Hij heeft aantekeningen of toetsingen gekend door met het gebruik van arrangementen te ontsnappen aan het maken van een fascinerend schilderij of sculptuur om zichzelf te verbazen over een blanco foto zozeer anders dan de wil tot verschijning. de schilder identificeert als hij Hans Arp natekent en ziet Zichzelf als intermediair van iemand die, in stijl ontregeld, betekenissen ‘nazingt’ en die duplicaten worden niet beladen vormen, een niemandsland van artistiek symbolische tegelvloeren. hij ontdekt de systemen van onze musea en gebruikt het tussen haakjes plaatsen zowel als metafoor voor geïsoleerde patronen als voor bestaande betekenisveranderingen en te bewust voor schreeuwerige eigendunk vindt deze identiteit zich een authenticiteit. de rietmatten, nu ontstaan, maar niet getoond, gaan zo een confrontatie aan en hadden duidelijk te maken met volledig nieuwe afbeeldingen te danken aan een unieke, verfijnde geest. Begrippen als ‘allergie’ en ‘persoon’ vervlochten de aan anderen ontleende afbeeldingen en beeldmiddelen. Als de verlegen blinde van zijn tijd zag hij zich wat in, in boeken en replica’s in één. omdat hij meent dat originaliteit geen rol speelt ziet hij dat Poëtisch maken nu weer zijn belangrijkste doel is en Dat hij als anderen een zelfde inzet van het vrij analytisch produceren kent. hij signeerde de bestaande verzamelingen niet en moet toe laten dat potlood weer olieverf nadoet.

 

(1949) iets ongerijmds is niets, kan de schreeuwerige beschouwer zeggen en daarbij meent hij zelfbewust dat hij een eigen waarheid, als een schilderij aan haakjes, elders kan vinden. per probleem tegelijk ontstaan verhalen en zijn definitie verwees naar degene die het blanco noemt of nadoet. Als de schilder nieuwe en unieke combinaties ontdekt om verfbewegingen te bereiken kwam hij te ontsnappen aan een confrontatie, maar twijfelde of hij nu maar wat bij Zichzelf nazingt of los moet laten dat nieuwe artefacten de rol voor eigendunk overdragen.  De geciteerde vormen waarin symbolische tijden als een mentaliteit of inzet worden gebruikt worden regelmatig opgeslagen. authenticiteit heeft geen zin, wil hij aan die schrijver van boeken, die een niet-beladen geest kent, toevoegen. anderen produceren Veelal systemen voor musea en hadden het zich verbazen over de geldigheid van olieverf gekend en maken dan patronen zoek. Begrippen zijn te danken aan duplicaten met de identiteit van een door hemzelf geschilderde leugen en Dat maakt De verdubbeling ook artistiek te gemeen. De kunstenaar identificeert Herhaling met aantekeningen in een lijst van onze en van zijn tijd omdat hij visuele toetsingen kent en betekenisveranderingen ziet tot deze worden ontregeld. De codes van de zaak maken het aan de bestaande verschijning duidelijk en De toeschouwer speelt maar wat aan en wees Op de kunstenaar als persoon die afbeeldingen parallel aan blinde anderen ontleende of toeschreef en ‘Het’ aandient aan een observerende exponent van het kapitaal van de wereld. de schilder, als iemand die steeds weer uiterst nauwkeurig, met een subtiel verfijnde touch, de lenige beelden van Hans Arp natekent, signeerde zijn werk niet maar moet het zich in een andere context eigen maken dat schilderijen van rietmatten met gebruik van de zelfde vormentaal te autonome strategieën gaan ontwikkelen. alleen wil en moet hij het voor zichzelf altijd weer anders plaatsen door nadrukkelijk die nieuwe patronen in voortdurende unieke arrangementen naar bestaande buitelingen ‘toe te beelden’. De schilder vindt persoonlijk die tegelvloeren fascinerend en vindt tevens een metafoor  Hij kan zich, gebruik makend van zowel zijn analytisch hoofd als van een volledig gevoelsregister het nut van een stijl bewust maken en ziet zich genoodzaakt tot strenge twijfel aan ‘dat wat in mijn beeldwereld of tussen de verzamelingen ten opzichte van originaliteit is toegepast’. voor hem is allergie voor te vervlochten geglaceerde beeldmiddelen probleem en belangrijkste doel in één. en door opmerkingen van die intermediair ligt achter de natuur dan nog minder vaste vorm in een failliet Poëtisch 3e niemandsland maar hij wil, als kunstenaar, niet zozeer geïsoleerde dingen of afbeeldingen maken. de maker van Meer sculptuur in potlood, eerder getoond op foto, plaatst er nu zo zijn beelden als replica’s in een wereld en die wereld knaagt aan betekenissen en zag aarzeling ontstaan en onder het werk bereikte het de verlegen hoofden  Tegelijkertijd zit hem, vrij van tijd of van plaats, het geven of kijken of maken tegen. ‘dat en wat niet al’.

 

De kunstenaar die de natuur in een context plaatst met nieuwe autonome beelden als beeldmiddelen, moet per definitie alleen zijn hoofd los maken wil hij unieke tijden toevoegen aan dat wat is opgeslagen. en de schilder kan nu door opmerkingen van hemzelf de toeschouwer ook bewust maken van dat wat hij nazingt. hij die, als exponent van een geciteerde beeldwereld Herhaling tot inzet maakt, moet geschilderde vormen overdragen en gebruikt Meer of minder originaliteit voor toetsingen of schilderij. analytisch tegelijk, ziet De kunstenaar zichzelf in zijn tijd altijd zo als hij die bestaande artefacten natekent en dat aan het potlood iets ‘ongerijmds’ knaagt, is te danken aan het nut van boeken met replica’s naar tegelvloeren in een maar al te verfijnde wereld. artistiek parallel aan zijn eigen geldigheid, moet en wil de schilder, en niet zozeer de persoon, de leugen van het beelden laten ontstaan. Tegelijkertijd uiterst zelfbewust, noemt hij zich nadrukkelijk een ‘visuele intermediair van verhalen vervlochten door mijn observerende mentaliteit’. De strenge patronen hadden betekenissen, gebruik makend van plaatsen van unieke geïsoleerde afbeeldingen en gaan een blinde confrontatie aan en de wereld twijfelde, maar hij heeft getoond waarin schilderijen een rol voor ‘een metafoor van de geest‘ ontwikkelen. Hij kent het produceren van vaste codes en systemen en speelt met De 3e waarheid en Het probleem van zijn bestaande twijfel aan één zin ligt er nu voor hem persoonlijk omdat hij meent dat degene die naar een andere verschijning van het Poëtisch kapitaal verwees, daarbij deze voortdurende touch aan een zelfde maker ten opzichte van de duplicaten toeschreef.  anderen vinden een niemandsland tussen of onder zijn aantekeningen. de schrijver of beschouwer zag die lenige sculptuur weer fascinerend werk worden en de belangrijkste anderen ontsnappen aan een bereikte  stijl van eigendunk  die kan worden ontregeld als allergie voor gemeen geglaceerde beelden in olieverf. en De kunstenaar kwam toe aan blanco verfbewegingen en wat verdubbeling en signeerde de zaak nauwkeurig. De wil wees zowel op aan Zichzelf ontleende authenticiteit Als Op dat te subtiel ontstaan, maar tevens gekend en toegepast gevoelsregister. het failliet van zijn eigen nieuwe werk vindt plaats als hij, tegen de vormentaal in, patronen in rietmatten ontdekt. en, tussen haakjes, achter of bij Dat probleem van hem zit niets dan een wereld van symbolische afbeeldingen die niet-beladen begrippen kent en betekenisveranderingen als buitelingen vindt. Veelal ziet Hans Arp (1949) zich volledig genoodzaakt tot het ‘niet zeggen’. met vrij gebruik van onze tijd maken de nieuwe musea nog steeds maar geen combinaties van arrangementen die een identiteit bereiken of verzamelingen worden en kijken eerder of het elders in een schreeuwerige lijst,  of anders  weer als foto kan. en wat zich aandient is het doel en te verlegen om het duidelijk te maken identificeert de schilder zich dan door in de hoofden of strategieën of dingen vorm te geven en zich niet te verbazen over iemand die een aarzeling nadoet.

 

De kunstenaar of observerende die een toeschouwer zelfbewust wil maken, moet authenticiteit of wat zich aandient toevoegen aan de vormentaal van De wereld van te vervlochten afbeeldingen. De Veelal voor identiteit blinde schilder (1949) wil zich verbazen over en kent een vrij gebruik van zowel de leugen als die minder lenige buitelingen. deze persoon die zich genoodzaakt ziet tot ‘het zeggen van betekenissen’ is zich bewust dat betekenisveranderingen ontstaan. gebruik makend van onder andere het nauwkeurig in potlood opgeslagen failliet gevoelsregister dat die eigendunk toeschreef, meent hij dat hij daarbij verwees naar visuele allergie voor zijn eigen werk. De schilder is per definitie Op zoek naar iets ongerijmds achter zijn stijl en tevens wil hij, met een twijfel aan de geldigheid van het ontsnappen aan een te subtiel geïsoleerde confrontatie, worden als Hans Arp die parallel artistiek anderen nadoet en ook natekent  Herhaling moet nu weer een niet-beladen, autonome beeldwereld ontwikkelen, maken en overdragen aan de ‘geest van waarheid in mijn olieverf’. Hij bereikte een bestaande originaliteit door een mentaliteit van een blanco iemand en in dat niemandsland moet  de kunstenaar nadrukkelijk analytisch het geciteerde probleem produceren. Tegelijkertijd zijn belangrijkste 3e probleem, omdat degene die een strenge of te verfijnde maker van replica’s is, getoond heeft wat hij kan bereiken of kan vormen. zo knaagt dan de schilder aan de lijst van de geschilderde sculptuur. De foto van nieuwe beelden en voortdurende verlegen verfbewegingen vindt nog geen nut, plaats of doel en ligt eerder in onze musea. de schrijver vindt regelmatig persoonlijk voor hem verhalen, toetsingen of een unieke context in de wereld maar de natuur, als vorm ontregeld, speelt steeds weer met eigen systemen en codes alleen om uiterst Poëtisch één met de tijd te beelden en de aarzeling ten opzichte van het maken van een schilderij plaatst het kijken, waarin hij anderen identificeert als intermediair en nieuwe combinaties geven touch aan de verdubbeling door die tijden te laten ontstaan. tegelijk worden hoofden niet zozeer gekend door ‘vaste zin’ maar zijn te danken aan hemzelf en het werk. de kunstenaar zag duidelijk in Dat de geglaceerde arrangementen van tegelvloeren en van rietmatten niets gemeen hadden met bestaande verzamelingen van symbolische patronen in een rol schilderijen  Meer wees hem op ‘een zaak’, maar het schreeuwerige kapitaal maakt Als altijd opmerkingen tussen haakjes en twijfelde aan zijn inzet. De beschouwer kent en gebruikt zijn hoofd en kan patronen plaatsen of anders ‘los gaan’ door nieuwe boeken en beeldmiddelen te maken als metafoor van tijd, wereld en dingen en er wat van of in vinden. dan ontdekt hij dat die aantekeningen elders als strategieën tegen of voor het zelfde worden toegepast en kwam niet toe aan het volledig fascinerend beelden van afbeeldingen tot artefacten of unieke duplicaten. hij zit en noemt wat Begrippen en ziet zichzelf aan als een exponent van een ontleende verschijning, maar signeerde Het niet, hij die nu Zichzelf nazingt . . .

 

De schilder zag dat Hans Arp een wereld los van dingen of plaatsen bereikte, parallel aan die visuele leugen van de natuur. de persoon van rietmatten en niet-beladen vormen, die iets ongerijmds nadoet of nazingt, kan niets anders fascinerend vinden dan de beschouwer te verbazen over nieuwe verzamelingen die ontstaan door combinaties die hij alleen kan geven. en door steeds weer Als iemand anders analytisch te gaan kijken, verwees hij daarbij naar opmerkingen bij strategieën. De nauwkeurig en regelmatig geïsoleerde patronen worden zo niet één unieke wereld aan beelden maar eerder een volledig failliet van de wil om een beeldwereld te maken. Het probleem van context omdat hij meent dat een definitie zijn strenge zin voor waarheid tussen haakjes plaatst. dat wil zeggen, het is te danken  aan  het probleem of hij een kunstenaar van zijn tijd speelt of Zichzelf en de nog nieuwe arrangementen of aantekeningen die, voor hem persoonlijk minder nadrukkelijk, de originaliteit overdragen, bereiken nu tegelijk nieuwe beelden die het gebruik van een lijst gemeen hadden. het hoofd  wil plaats voor beeldmiddelen of zichzelf als inzet, ontdekt en gebruikt dan patronen voor deze vrij geciteerde tegelvloeren en maakt buitelingen als een lenige geest, maar de exponent van De andere 3e vormentaal twijfelde aan anderen en degene die onder ligt noemt zich nu toeschouwer en als maker een intermediair van hemzelf in een metafoor, niet ontregeld door de verschijning van duplicaten. Tegelijkertijd wees het te artistiek gebruik van de bestaande wereld op artefacten van de afbeeldingen. zozeer moet het geschilderde werk wat toevoegen en tevens ontsnappen aan anderen en aan voortdurende, verfijnde toetsingen van hoofden met eigendunk, dat zijn (en mijn) twijfel aan bestaande tijd en fascinerende boeken de betekenissen van symbolische of te schreeuwerige systemen duidelijk moet maken. Meer genoodzaakt tot vaste codes van sculptuur of foto signeerde hij Veelal ‘tegen de zaak’. een subtiel observerende, kwam hij tot het kapitaal dat een blinde confrontatie moet produceren en per vorm het beelden als gevoelsregister kan laten ontwikkelen. De kunstenaar heeft geen rol met de schrijver gekend die Op zoek naar Herhaling allergie ziet ontstaan en vervlochten begrippen achter De betekenisveranderingen worden hem in zijn eigen werk zelfbewust als afbeeldingen getoond maar de schilder zit en is van 1949 en kent identiteit toe aan verdubbeling  als de tijden waarin Hij zich nut toeschreef en ziet te maken verhalen in wat is opgeslagen, in zijn eigen verlegen touch, of in een van de uiterst autonome, geglaceerde schilderijen. Dat zich zowel in olieverf als potlood authenticiteit van het ontleende schilderij aandient vindt hij maar ‘wat Poëtisch’ en wat zich aan mentaliteit kent zijn belangrijkste ‘doel’. hij knaagt ook al aan een zelfde aarzeling ten opzichte van stijl en identificeert het maken bewust niet met De kunstenaar en of schilder die altijd weer in een niemandsland verfbewegingen vindt en natekent in onze musea, er replica’s makend met een unieke geldigheid . . . .

 

De schilder wees eerder op de eigen tegelvloeren, zozeer identificeert hij zich met door hemzelf geglaceerde buitelingen van nieuwe patronen, getoond als vervlochten verhalen, maar zijn belangrijkste doel is, parallel aan die wereld van unieke betekenissen, er in een Poëtisch niemandsland vorm aan te geven en tegen de zaak aan te kijken. en als 3e verschijning gaan Begrippen Als ‘beschouwer’ en ‘identiteit’ ontsnappen aan een definitie. De wereld moet onder andere zijn voortdurende twijfel aan sculptuur of geïsoleerde beelden in olieverf overdragen omdat de kunstenaar zag dat hij daarbij aan het probleem toe kwam of dat hij een nieuwe mentaliteit kan toevoegen aan dat wat aan verdubbeling in onze musea is opgeslagen. Tegelijkertijd kent de schilder, Op de foto een zelfde, wat te observerende geest die niets van het artistiek produceren van nieuwe beelden wil vinden, zijn natuur niet. Hij, de persoon met een beeldwereld, en tevens degene die afbeeldingen of het beelden bewust niet toeschreef en het maken natekent, wil als een metafoor worden en ziet duidelijk geschilderde vormen en een wil om persoonlijk De tijd of de tijden te verbazen. tegelijk nadrukkelijk analytisch bereikte hij, minder dan Zichzelf, een vormentaal maar twijfelde nog aan het gevoelsregister van betekenisveranderingen, hij die zich aandient en genoodzaakt ziet Hans Arp tot inzet te maken van verfijnde duplicaten. De autonome maker noemt zich een ‘lenige toeschouwer’ en anders dan een visuele schrijver van geciteerde verfbewegingen ontdekt hij Meer ongerijmds. ‘De hoofden worden nu weer gekend.’ de blinde exponent kan worden ontregeld als iemand die aantekeningen of opmerkingen makend bij dat wat is toegepast, de wereld nazingt. de kunstenaar kent door zijn eigendunk en naar vaste, bestaande stijl een van elders ontleende aarzeling ten opzichte van zowel replica’s als van Herhaling. Veelal verwees authenticiteit naar geldigheid van bestaande boeken of van afbeeldingen in potlood in een lijst die regelmatig steeds weer uiterst nauwkeurig waarheid en of leugen los moet maken. of De kunstenaar knaagt alleen maar voor zichzelf en hij kan dat zo bereiken door per gebruik het zeggen van schreeuwerige codes in zijn eigen hoofd zelfbewust en subtiel te maken of gebruikt wat van deze patronen voor strenge symbolische systemen of toetsingen van strategieën. Dat vindt plaats als de beeldmiddelen originaliteit gemeen hadden en de allergie speelt een rol als rietmatten tot arrangementen ontwikkelen die anderen danken aan unieke combinaties van niet-beladen verzamelingen van blanco schilderijen. die confrontatie met een fascinerend schilderij met een blanco touch moet ook altijd context laten ontstaan en de te verlegen intermediair heeft al het kapitaal maar meent zich failliet en signeerde tussen haakjes voor het werk van de schilder (1949). en het volledig over plaatsen ligt nu achter hem, en hij vindt anderen in zijn werk en plaatst vrij. ‘Het probleem zit hem in mijn gebruik van de dingen, waarin nut geen tijd maakt voor het ontstaan.’ zoek één zin die niet iets nadoet.

 

 

0 comments
Submit comment